Ik weet nog dat ik als kind altijd een beetje opzag tegen Sinterklaas.
Hoewel het voor ieder kind spannend is, zat er voor mij een extra lading op: mijn huidskleur.
Ik werd snel uitgemaakt voor Zwarte Piet of “zwarte Paat”. Zelfs door familie. Niet dat daar slechte intenties achter zaten, maar het legde voor mij wel steeds de nadruk op iets: ik was anders.
En dat klopt ook.
Ik ben anders.
We delen geen bloedband, geen DNA. Eigenlijk delen we vrij weinig.
Het bijzondere aan adoptie is dat het zo zichtbaar is.
Hoe vaak ik niet te horen kreeg:
“Goh, je spreekt wel goed Nederlands.”
Of dat vreemde mensen in een openbare ruimte zomaar vragen:
“Ben je geadopteerd?”
“Waar kom je vandaan?”
“Hoe oud was je toen?”
Je zou het interesse kunnen noemen, maar dat is het vaak niet. Want je bent niet geïnteresseerd in mijn dromen, mijn angsten of mijn doelen.
Het is nieuwsgierigheid.
Voor jou misschien een paar simpele vragen.
Voor mij legt het iets bloot.
Een trauma.
Een keuze waar ik zelf geen inspraak in had.
Het onzichtbare deel van adoptie zit ergens anders.
In het oordeel.
Het dankbaar ervoor moeten zijn.
Want daar was het vast erger.
Armer.
Minder kansen.
Maar eerlijk?
We weten het niet.
Er is geen parallel leven waarmee ik kan vergelijken.
Ik denk dat we welvaart en geluk niet te veel door elkaar moeten halen.
Want ondanks dat adoptie vaak met de beste bedoelingen gebeurt, mis ik iets.
Ik mis een groot deel van mezelf.
In elk land waar ik ben, zal ik altijd allochtoon zijn.
En veel vragen zullen onbeantwoord blijven.
Ben ik dankbaar voor een dak boven mijn hoofd?
Voor opleidingen?
Voor eten?
Ja. Zonder enige twijfel.
Maar ik vertik het om dat te privatiseren.
Het zijn geen gunsten.
Het zijn mensenrechten.
Fysieke en emotionele veiligheid.
Een huis.
Eten.
Een bestaan.
Voor iedereen. Zonder voorwaarden.
Net als het recht om je ouders te kennen.
En gewoon hun dochter te zijn.